Kies een vorm: cakeblik, of een pie vorm die uit elkaar kan. Gebruik de vorm om een idee te krijgen van de grootte van de onderkant, zijkanten en bovenkant. Een pievorm die uit elkaar kan is handig omdat je daarmee het deeg kan portioneren.
Zorg dat de onderkant die aan alle kanten 2 cm breder is zodat de het deeg kan overlappen. Zorg dat de zijkant 3 cm hoger is zodat het deeg uit de vorm kan steken. Dat gebruik je om de bovenkant, de deksel, mee vast te maken.
Vet de vorm in met boter.
Leg eerst de onderkant in de vorm en zorg dat het deeg aan de zijkanten omhoog staat. Leg daarna de zijkanten in de vorm. Zorg eerst dat die goed aan elkaar komt. Druk met je vinger goed de deeglappen op elkaar.
Druk daarna langs de onderkant en zorg dat de onderkant goed verbonden is met de zijkant. Als het goed is, is de deegflap van de onderkant groter dan de onderkant van de bakvorm. De opstaande rand druk je samen met de zijkant. Ga de hele onderkant af en druk goed aan met je vinger.
Zodra de onderkant helemaal vast zit aan de zijkant en er geen kieren meer zijn, ga je de zijkant tegen de vorm aandrukken. Zeker als je werkt met een mooie pievorm. Die heeft allemaal structuren in de vorm.
Zet het blik met het deeg in de koelkast om goed af te koelen. Doe de deeglap voor de bovenkant ook in de koelkast.